Studenten die studievertraging oplopen als gevolg van een bijzondere omstandigheid, komen in aanmerking voor financiële ondersteuning uit het profileringsfonds. Dit is geregeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Deze wet verplicht bekostigde universiteiten en hogescholen daartoe een voorziening in stand te houden. De voorwaarden waaronder een student recht heeft op financiële ondersteuning zijn wettelijk geregeld. De uitvoering van het profileringsfonds is evenwel voorbehouden aan de onderwijsinstellingen. Gebleken is dat universiteiten en hogescholen in strijd met de wet aanvullende voorwaarden stellen aan het recht op financiële ondersteuning, met als gevolg dat jaarlijks tientallen tot honderden aanvragen ten onrechte worden afgewezen. Ook lijkt het te schorten aan een goede informatievoorziening, waardoor groepen studenten steun mislopen.

Het profileringsfonds: een voorziening voor financiële ondersteuning bij studievertraging in het hoger onderwijs.

Google Beoordelingen
5.0
Gebaseerd op 41 beoordelingen
×

Inleiding

De studiefinanciering en het gemaximeerde collegegeld bieden ruimte voor studenten om een opleiding te volgen, zich maatschappelijk te ontplooien en nevenactiviteiten te verrichten. Er kunnen zich echter situaties voordoen waarbij een student niet tijdig zijn studie kan afronden, of waarin om andere redenen financiële ondersteuning in de rede ligt. Daarvoor kan een student een beroep doen op het profileringsfonds.

Het profileringsfonds geldt voor alle bekostigde instellingen voor het hoger onderwijs, dat wil zeggen universiteiten, hogescholen, Open Universiteit en de levensbeschouwelijke instellingen. Een uitkering uit het profileringsfonds is, in tegenstelling tot de prestatiebeurs, een gift.

In dit artikel wordt het profileringsfonds integraal uiteengezet. Van de totstandkoming, de voorwaarden, de hoogte van de financiële ondersteuning en de uitvoering tot de mogelijkheden om een afwijzing aan te vechten. Via de inhoudsopgave kan direct het gewenste hoofdstuk worden gekozen.    

Van het studeer- en studiefonds naar één profileringsfonds

Met de Wet versterking besturing is in 2010 afscheid genomen van het studeer- en studiefonds. Ter vervanging daarvan is het profileringsfonds geïntroduceerd. De wetgever heeft met het profileringsfonds een einde willen maken aan de grote verscheidenheid aan studiefondsregelingen.

Het profileringsfonds is gestoeld op de gedachte dat één fonds eenduidiger is, waarbij onderwijsinstellingen maatwerk kunnen bieden. Een landelijke regeling zou bovendien bijdragen aan meer duidelijkheid, voor zowel onderwijsinstellingen als studenten.

De geïnteresseerde lezer kan de totstandkomingsgeschiedenis van de Wet versterking besturing hier raadplegen.  

De bij wet bepaalde situaties waarin studenten aanspraak kunnen maken op financiële ondersteuning

Er kunnen zich verschillende situaties voordoen waarvoor een student een beroep kan doen op het profileringsfonds. De oorzaak van die situatie kan zowel bij de student als bij de onderwijsinstelling liggen. Studenten die aanspraak kunnen maken op het fonds zijn in vier categorieën te onderscheiden:

  1. Studenten in overmachtssituaties zoals ziekte, functiebeperking, zwangerschap, bijzondere familieomstandigheden, mantelzorgers of een niet-studeerbare opleiding.
  2. Studenten in de medezeggenschap of bestuursleden vandoor de instelling erkende studie- of studentenverenigingen.
  3. Studenten die een bijzondere prestatie leveren op het gebied van sport of cultuur, of financiële ondersteuning aan niet -EER studenten, uitgaande beurzen of andere overige door het bestuur vastgestelde omstandigheden.
  4. Studenten die niet binnen de categorieën 1 tot en met 3 vallen, naar die te  maken hebben met exceptionele omstandigheden waardoor zij financiële ondersteuning nodig hebben (de hardheidsclausule).

De wettelijk bepaalde bijzondere omstandigheden

Voor categorieën 1 en 2 geldt dat de onderwijsinstellingen verplicht zijn om financiële voorzieningen te treffen. Voor deze categorieën studenten bestaat daarom een wettelijk recht op een vergoeding. Het is dus niet zo dat het een onderwijsinstelling vrij staat om een student met bijvoorbeeld een functiebeperking al dan niet te vergoeden uit het profileringsfonds.

Universiteiten en hogescholen dienen studenten vanuit het profileringsfonds altijd te ondersteunen op grond van de omstandigheden die vallen in de eerste twee categorieën. De Minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschap heeft in 2016 aanleiding gezien om deze vergoedingsverplichting te benadrukken.

Door de onderwijsinstelling aangewezen bijzondere omstandigheden

Studenten die vallen onder categorie 3 mogen door onderwijsinstellingen uit het profileringsfonds worden ondersteund. Universiteiten en hogescholen kunnen hierin eigen keuzes maken.

Zo kunnen instellingen aan (talentvolle) studenten uit niet-EER-landen financiële ondersteuning bieden. Het ligt voor de hand dat instellingen via deze weg voor andere adviserende bestuursfunctie (niet op wettelijke grondslag via categorie 2) die studenten op verzoek van de universiteit of hogeschool verrichten een uitkering uit het profileringsfonds verstrekt.   

Voor deze derde categorie geldt dat het bestuur van de onderwijsinstelling de omstandigheid moet hebben aangewezen en vastgelegd in zijn regeling (zie het hoofdstuk over de procedurele regels). Indien een student niet te maken heeft met een aangewezen omstandigheid, dan is het een instelling niet toegestaan financiële middelen aan de student toe te kennen.

De hardheidsclausule

De wet voorziet ook in een vangnetbepaling in de vorm van een hardheidsclausule (categorie 4). Resulteert een afwijzing in een zeer onwenselijke uitkomst, dan kan het bestuur met toepassing van de hardheidsclausule alsnog een uitkering verstrekken.

Niet elke ongewenste uitkomst rechtvaardigt toepassing van de hardheidclausule, de wet spreekt namelijk over een ‘onbillijkheid van overwegende aard’. De omstandigheden moeten dus er wel naar zijn, wil een beroep op de hardheidsclausule slagen. Daarbij komt dat het moet gaan om een andere (niet wettelijk geregelde of door het bestuur aangewezen) bijzondere omstandigheid.

Het verdient vermelding dat een beroep op de hardheidclausule geen sinecure is. Ons zijn geen uitspraken bekend van het College van Beroep voor het Hoger Onderwijs (CBHO) waarin een beroep op de hardheidsclausule is gehonoreerd. Onbekendheid van een student met de voorwaarden van financiële ondersteuning is in ieder geval onvoldoende voor toepassing van de hardheidsclausule, zo blijkt uit de uitspraak 2016/088 van het CBHO.

Enig bewijs van de bijzondere omstandigheid

Voor de aanspraak op financiële ondersteuning moet een student de aanwezigheid van een bijzondere omstandigheid aannemelijk kunnen maken. Zo nodig dient bewijs te worden overgelegd. Dat kan op verschillende manieren, denk aan ten aanzien van een ziekte of functiebeperking respectievelijk een dokters- of deskundigenverklaring. Het is dus wel zaak de bijzondere omstandigheid goed te documenteren. De regeling van de onderwijsinstelling bevat doorgaans bepalingen over welke bewijsstukken moeten worden verstrekt.

Twee bijzondere situaties waarin een verplichting tot financiële ondersteuning bestaat

Naast de bijzondere omstandigheden zijn universiteiten en hogescholen in twee bijzondere situaties verplicht een uitkering te verstrekken, namelijk:

  • Als een bestuur bepaalt dat een bepaalde mastopleiding een grotere studielast heeft dan 60 studiepunten. Studenten kunnen in dat geval in financiële problemen komen omdat zij uit hun studiefinancieringsrechten lopen;
  • Als de accreditatie van een opleiding is komen te ontvallen. Het recht op studiefinanciering vervalt dan eveneens, aangezien studiefinanciering alleen wordt verleend in verband met het volgen van opleidingen waaraan accreditatie is verleend. De overmachtssituatie waar de student in terecht komt geeft dan reden tot een tegemoetkoming uit het profileringsfonds.

De wettelijke voorwaarden om in aanmerking te komen voor een uitkering uit het profileringsfonds

De kring van belanghebbenden die voor financiering in aanmerking komt is afgebakend tot studenten. Over de voorwaarden voor financiële ondersteuning bepaalt de wet dat een student uitsluitend in aanmerking komt indien:

  • hij of zij voor de desbetreffende opleiding het wettelijk collegegeld verschuldigd is; en
  • hij of zij voor die opleiding aanspraak heeft of aanspraak heeft gehad op studiefinanciering.

De onderwijsinstelling is verder bevoegd (maar niet verplicht) om te eisen dat de student studievoortgang boekt gedurende de tijd dat hij of zij financieel wordt ondersteund uit het profileringsfonds. Een dergelijke eis moet wel zijn vastgelegd in de regeling van de onderwijsinstelling.

Uit de wet volgt dat het instellingen niet is toegestaan om andere voorwaarden te verbinden aan het recht op een uitkering op het profileringsfonds. Bevestiging hiervan kan worden gevonden in de uitspraak 2018/080 van het CBHO, betreffende een zaak van ons kantoor tegen de Radboud Universiteit. Het CBHO heeft in deze zaak bevestigd dat een instelling bevoegd is om regels van procedurele aard vast te stellen. Onderwijsinstellingen zijn niet bevoegd om aanvullende voorwaarden, waaronder een studievoortgangsnorm, vast te stellen:

Volgens verweerder kunnen regels over de aanvang, de duur en de hoogte van de financiële ondersteuning niet louter procedureel van aard zijn en komt daarom aan de woorden “van procedurele aard” geen zelfstandige betekenis toe. Het College volgt verweerder hierin niet. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de WHW kan worden afgeleid dat de wetgever er bewust voor heeft gekozen de woorden “van procedurele aard” in die bepaling op te nemen.

Voorbeelden van ongeoorloofde aanvullende voorwaarden voor financiële ondersteuning

Naar aanleiding van deze uitspraak heeft de Radboud Universiteit haar regeling op dit punt herzien. Een mooie overwinning voor alle studenten aan de RU. Opvallend genoeg hanteren toch nog veel universiteiten en hogescholen een regeling die niet in lijn met de wet is:

  • Zo eist de Hogeschool van Amsterdam voor de toekenning van een bestuursbeurs dat ten minste 16 uur per week besteed wordt aan het uitvoeren van bestuurstaken. De wet spreekt echter over activiteiten op bestuurlijk gebied en koppelt dit niet aan een (minimum)aantal uren.
  • De TU Eindhoven verlangt voor een uitkering van een bestuursbeurs dat de propedeutische fase is afgerond en de student een studietempo van ten minste 75% van het nominale studietempo heeft behaald. Deze voorwaarden zijn vergelijkbaar met de voorwaarde die ter discussie stond in de uitspraak CBHO 2018/080.
  • Ook de TU Delft hanteert een studievoortgangsnorm. Dit terwijl nota bene haar eigen Geschillenadviescommissie  haar erop heeft gewezen dat een studievoortgangsnorm niet om overeenstemming met de wet is.

Het profileringsfonds op de politieke agenda

Waarom onderwijsinstellingen zo graag aanvullende voorwaarden stellen is onduidelijk. Omdat aanvullende voorwaarden afbreuk kunnen doen aan het recht van een student op financiële ondersteuning, hebben het Interstedelijk Studenten Overleg (ISO) en het Landelijk Studenten Rechtsbureau (LSR) zich ingespannen dit onderwerp op de politieke agenda te krijgen. De inspanningen hebben geresulteerd in de motie van kamerlid Wiersma c.s. waarmee de regering gevraagd om te komen tot een nadere aanpak voor het profileringsfonds en daarin mee te nemen hoe additionele ontmoedigende eisen worden voorkomen. Het valt te hopen dat de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap hier werk van maakt.  

Een verband tussen de vertraging en de bijzondere omstandigheid

De aanwezigheid van een bijzondere omstandigheid impliceert niet zonder meer dat aanspraak kan worden gemaakt op financiële ondersteuning. De opgelopen vertraging moet het gevolg zijn van de bijzondere omstandigheid. Oftewel, er moet een causaal verband bestaan tussen de vertraging en de bijzondere omstandigheid. Een dergelijk verband wordt verondersteld aanwezig te zijn voor de door wet aangewezen omstandigheden (categorieën 1 en 2).

Voorbeeld:
Een student die te kampen heeft met een chronische ziekte (categorie 1) zal een vermindering van studieprestaties ervaren. Hij of zij heeft vaak eenvoudigweg meer tijd nodig om de opleiding af te ronden.

Lastig blijft de vraag welk deel van de opgelopen vertraging het directe gevolg is van de bijzondere omstandigheid. Bij bestuurswerkzaamheden ligt het voor de hand om de duur van de vertraging te koppelen aan de duur van de aanstelling. Maar in veel zaken over ziektes of functiebeperkingen is er meestal ruimte voor discussie over het causaal verband. Hoelang krijgt een student om te herstellen van een ziekte of om te rouwen om een overleden dierbare in het kader van een uitkering uit het profileringsfonds? Moet daar een lijn in getrokken worden of mag de student maatwerk verlangen?

Het staat universiteiten en hogescholen in ieder geval niet vrij om een minimumnorm voor de vertraging te hanteren. Het is dus niet geoorloofd om het recht op financiële ondersteuning te koppelen aan de voorwaarde dat de vertraging een minimumperiode van bijvoorbeeld drie maanden moet beslaan. Alles telt, of de studievertraging nu één of twaalf maanden bedraagt. Zolang de vertraging maar het gevolg is van de bijzondere omstandigheid.  

De hoogte van de financiële ondersteuning

Bij de hoogte van de uitkering dient maatwerk mogelijk te zijn. Om die reden is in de wet afgezien van een eenduidige vastgelegde norm, maar als richtsnoer geldt de hoogte van de studiefinanciering. Een onderwijsinstelling mag die grens overschrijden, maar daaraan stelt de wet wel bepaalde administratieve en procedurele eisen. Die eisen houden verband met de belastbaarheid van de zogenoemde voorziening voor aanvullende ondersteuning in de inkomstenbelasting, de uitvoerbaarheid hiervan en de kenbaarheid bij de student.

De procedurele regels voor de uitvoering van het profileringsfonds

Onderwijsinstellingen zijn bij uitstek aangewezen om te bepalen wat de financiële ondersteuning moet zijn. De wet verplicht instellingen dan ook om regels van procedurele aard vast te stellen. Daartoe dient een instelling een regeling te hebben. De onderwijsinstelling moet in haar regeling aan alle categorieën die in de wet zijn genoemd, aandacht besteden en haar keuzes motiveren en in ieder geval regels opnemen over:

  • de aanvang;
  • de duur;
  • de hoogte van de financiële ondersteuning

Een regeling bevat in de regel ook bepalingen over de wijze van aanvraag en de documenten die bij de aanvraag overgelegd moet worden. Het is belangrijk om te benadrukken dat onderwijsinstellingen alleen bevoegd zijn om regels van procedurele aard in hun regeling op te nemen. Het staat universiteiten en hogescholen niet vrij om aanvullende materiële voorwaarden erin te fietsen.

Het instemmingsrecht van de medezeggenschapsraad

Bij de totstandkoming van de instellingsregeling is een nadrukkelijke rol weggelegd voor de medezeggenschapsraad. Aan hem komt het instemmingsrecht toe op de regeling, i.c. op de criteria en procedure van het profileringsfonds. Dit instemmingsrecht strekt echter niet uit tot de omvang van het profileringsfonds.

Een meldingsplicht van de bijzondere omstandigheid

Gewezen moet worden op het feit dat zowat alle instellingen regels hanteren over het melden van een bijzondere omstandigheid. Ter illustratie, de Hogeschool van Amsterdam eist dat de student de bijzondere omstandigheid uiterlijk binnen drie maanden na aanvang van de omstandigheid meldt bij de studentendecaan. Overigens zijn er gevallen denkbaar waarin een dergelijke termijnoverschrijding verschoonbaar zou kunnen zijn. Van een student die in een langdurige coma geraakt, kan moeilijk worden verlangd dat hij of zij van deze omstandigheid tijdig melding doet.

Geen dubbel beroep op financiële ondersteuning voor eenzelfde omstandigheid

Voor eenzelfde omstandigheid kan de student niet dubbel een beroep doen op financiële ondersteuning. Vanzelfsprekend kan een student waarvoor verschillende bijzondere omstandigheden van toepassing zijn, wel meer dan een keer beroep doen op het fonds.

De informatieplicht van onderwijsinstelling over het profileringsfonds

Over de informatieverstrekking op aanvraag is de wet duidelijk. Onderwijsinstellingen moeten studenten schriftelijk op de hoogte stellen over de mogelijkheden tot financiële ondersteuning wanneer de student naar die informatie vraagt. Een mogelijke toekenning als aanvullende ondersteuning behoeft daarbij een aparte vermelding. Zo duidelijk als de wet is over de informatieplicht op aanvraag, zo onduidelijk is het over de informatieplicht over het bestaan van het profileringsfonds.

De wet verplicht instellingen om procedurele regels vast te stellen, maar niet om het profileringsfonds onder de aandacht van (aspirant-)studenten te brengen. Dat studenten niet goed op de hoogte zijn van het profileringsfonds blijkt onder meer uit een onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs. De inspectie stelde in 2018 vast dat:

  • studenten met een functiebeperking niet of nauwelijks op de hoogte zijn van het profileringsfonds; en
  • informatie over het profileringsfonds vaak lastig te vinden is op websites van onderwijsinstellingen en de informatie vaak onbekend is bij studieadviseurs.

De bevindingen van de inspectie vormden aanleiding voor een motie van kamerleden Tielen en Bruins om het profileringsfonds meer bekendheid te geven onder studenten en ervoor te zorgen dat studenten ook lopende het studiejaar een beroep kunnen doen op het profileringsfonds.  

Te hopen valt dat de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap universiteiten en hogescholen daadwerkelijk aanspoort om meer bekendheid te geven aan het profileringsfonds. Te meer omdat het CBHO het oordeel  is toegedaan dat het aan de student is om over de mogelijkheden om steun uit het profileringsfonds te ontvangen op de hoogte te raken.

In bezwaar of beroep tegen een afwijzing van een verzoek om financiële ondersteuning

Een aanvraag om financiële ondersteuning dient te voldoen aan de procedurele regels van de onderwijsinstelling. Het bestuur is gehouden om binnen 8 weken op de aanvraag te beslissen. Sommige universiteiten of hogescholen hebben een commissie in het leven geroepen om het bestuur te adviseren bij de toekenning van een uitkering uit het profileringsfonds.

Het bestuur dient een beslissing op schrift te stellen en de student te informeren over de mogelijkheid om bezwaar aan te tekenen tegen een eventuele (gedeeltelijke) afwijzing. De student kan binnen 6 weken na bekendmaking van de beslissing in bezwaar bij het bestuur. Daarna kan zo nodig binnen 6 weken na de beslissing op bezwaar beroep worden ingesteld bij het CBHO.

De bezwaarprocedure bij het college van bestuur

Bezwaar wordt ingesteld door indiening van een bezwaarschrift bij het bestuur. Dit kan meestal via het Loket Rechtsbescherming Studenten van de onderwijsinstelling. Sommige instellingen bieden de mogelijkheid om digitaal bezwaar of beroep in te stellen. In dat kader verdient de Hogeschool Utrecht een pluim. Daar kunnen studenten alle bezwaren en beroepen geheel digitaal indienen.

Let op:
Het bezwaarschrift moet binnen 6 weken na bekendmaking van de afwijzing worden ingediend. Te laat indienen heeft bijna altijd tot gevolg dat het bezwaar inhoudelijk niet wordt beoordeeld.

Binnen 10 weken na indiening van het bezwaarschrift moet het bestuur een beslissing afgeven. Vóór het geven van beslissing moet het bestuur advies inwinnen bij de Geschillenadviescommissie. Die op haar beurt eerst de student in de gelegenheid stelt om het bezwaar mondeling toe te lichten.

Het bestuur is niet gehouden om het advies van de Geschillenadviescommissie op te volgen. Een negatief advies kan dus terzijde worden geschoven. Dat geldt evengoed voor een positief advies. Voor dit laatste geldt dat het bestuur wel goed moet motiveren waarom afgeweken wordt van het advies van de Geschillenadviescommissie.

Blijft een beslissing binnen 10 weken uit, dan kan het bestuur worden gesommeerd om binnen twee weken alsnog een besluit te nemen. Na het ongebruikt verstrijken van deze twee weken is het bestuur per dag een dwangsom verschuldigd aan de student. De dwangsom loopt uiterlijk 42 dagen, bedraagt maximaal € 1.442 en staat los van de uitkomst van het bezwaar.

Beroep bij het College van Beroep voor het Hoger Onderwijs

Is het bestuur niet bereid om in bezwaar terug te komen op de afwijzing, dan kan binnen 6 weken beroep worden ingesteld bij het CBHO. Dit is een onafhankelijk rechtscollege, gevormd door twaalf rechters en gevestigd in Den Haag.

Tip: Een beroepschrift kan bij het CBHO worden ingediend per e-mail (info@cbho.nl).

Het CBHO brengt voor de behandeling van een beroep € 48 griffierecht (tarief 2020) in rekening bij de student. Bij een gegrondverklaring van het beroep moet het bestuur dit bedrag aan de student terugbetalen.

Voordat het CBHO een uitspraak doet, stelt het een onderzoek in. Onderdeel van dit onderzoek is een hoorzitting, waarbij de student en het bestuur de gelegenheid krijgen hun standpunten toe te lichten. Na sluiting van het onderzoek volgt binnen zes weken een uitspraak. Tegen een uitspraak van het CBHO kan geen hoger beroep worden ingesteld.

Gemiddeld genomen neemt een procedure bij het CBHO vier tot zes maanden in beslag.

Het inschakelen van een advocaat en het financieren van een procedure

Voor het voeren van bezwaarprocedure of een procedure bij het CBHO is het inschakelen van een advocaat niet verplicht. Sterker nog, het staat de student vrij om zelf de procedure te voeren. Of dit verstandig is, is een tweede. Een bestudering van de uitspraken van het CBHO (te raadplegen op www.chbo.nl) leert dat studenten die zich laten bijstaan door een advocaat of jurist vaker in het gelijk worden gesteld.

Studenten die bezwaar of beroep willen instellen komen in de regel in aanmerking voor gesubsidieerde rechtsbijstand. Zij zijn in dat geval hooguit een bescheiden eigen bijdrage verschuldigd. Is een rechtsbijstandverzekeraar in beeld (al dan niet via de ouders van de student), dan kan de student een beroep doen op het recht op vrije advocaatkeuze. De rechtsbijstandverzekeraar dekt dan de kosten van het voeren van de procedure.  

Vragen over het profileringsfonds?

Heb je vragen naar aanleiding van dit artikel? Laat hieronder een opmerking achter, maak gebruik van ons contactformulier of het op de mail. Het lukt ons meestal om binnen een werkdag te reageren. Heb je een afwijzing ontvangen en loopt de termijn af om bezwaar of beroep in te stellen, bel dan gelijk. Wij kunnen zo nodig vrijblijvend de termijn veiligstellen.  

2 reacties op “Het profileringsfonds: een voorziening voor financiële ondersteuning bij studievertraging in het hoger onderwijs.”

  1. Avatar

    Beste heer Gabrelian,

    Door het coronavirus loop ik vertraging op in mijn studie. Ik ben niet zelf ziek geweest, maar door het coronavirus waren er geen stages. Dit is ook overmacht? Kan ik compensatie krijgen van het profileringsfonds?

    1. Gor Gabrelian

      Beste Marijn,

      Goed dat je het vraagt, het coronavirus zal ik nog in het artikel verwerken. Ben je zelf door ziekte uitgevallen, dan heb je recht op financiële ondersteuning. Dit geldt ook wanneer de opleiding tijdelijk is stopgezet, met inbegrip van stages. Het Minister van Onderwijs houdt hierover een ander standpunt op na (zie: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2020/04/24/servicedocument-ho-aanpak-coronavirus-covid-19). Maar de visie van het ministerie is niet goed te rijmen met de wettelijke regeling. Mocht je meer informatie nodig hebben, stuur ons gerust een mail.

      Met vriendelijke groet, Gor Gabrelian

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Avant Advocaten is de gemeenschappelijke naam van de ondernemingen van Folsche (kvk 74147501) en Gabrelian (kvk 71857052). Een opdracht wordt aanvaard door een van de voornoemde (rechts)personen. Het kantoor beschikt niet over een derdengeldenrekening.